Recensies

Recensies Niemandslandnacht

 

11 mei 2018
Verwekt op een petrischaaltje
Een ‘crime poem’ van Annemarie Estor
Jeroen Dera
In De Standaard

Annemarie Estor schetst in Niemandslandnacht een wereld waarin de mens de controle over de techniek verloren is – met alle absurde gevolgen van dien.

Wie op zoek is naar een comfortabele wereld, kan beter niet de poëzie van Annemarie Estor (45) lezen. In het epische De oksels van de bok (2012) liet ze haar hoofdpersoon al afdalen in het rioolrijk van een begeerlijke sater, terwijl Dit is geen theater meer (2015) opende met een postapocalyptisch landschap vol radioactief afval en ‘verlaten tanks in bloei’. Ook in haar nieuwe bundel, een zelfverklaarde ‘crime poem’ met de prachtige titel Niemandslandnacht, flirt Estor met het catastrofale. Dit verhalend opgezette gedicht scheert zelfs langs de randen van het dystopische: de dichter schetst een wereld waarin de mens de controle over de techniek verloren is – met alle absurde gevolgen van dien.

Het hoofdpersonage in Niemandslandnacht is Pili. Haar lerares Valeria, die T.S. Eliots The Waste Land doceert maar tevens ‘Toverlantaarn-soirees’ organiseert, vertelt Pili dat zij een moeder heeft. Het blijkt een schokkende mededeling, want – zo reageert het meisje – ‘Niemand heeft een moeder’. En dat is niet het enige wat vreemd is aan Orb, Pili’s geboorteplaats die in het landschap ligt ‘als een lichtende kroon,/ een roemrijke koepel,/ mythisch rijk’. Elke mens heeft er een code, de zogenaamde ‘Orb-ID’, en wordt nauwlettend door geautomatiseerde systemen in de gaten gehouden. In Orb lijkt de techniek het roer stevig van de mens over te hebben genomen: de robots ‘verstrakten het systeem,/ schakelden met valse switches’. Alles wat niet in algoritmes gevangen kan worden, lijkt hier dan ook uitgebannen: religie (specifieker: het katholicisme) is in Orb verboden en schrijven met de hand is er een clandestiene bezigheid.

Geen wonder dat Pili in deze stad maar moeilijk aarden kan. In haar schooltas bewaart ze heimelijk een duif (een vogel die, mogelijk vanwege haar christelijke connotaties, in Orb stelselmatig uit de lucht geschoten wordt) en ze voelt zich aangetrokken tot Grout, een verboden plaats voor Orbianen waar niet het algoritme, maar de natuur welig tiert: ‘In de olmenrook is het gevaarlijk dwalen./ Storthopen draaien zich onverschillig ruftend/ op hun andere zij’. Deze fascinatie voor het ongerept-vuile, dat een centraal motief vormt in Estors oeuvre, deelt Pili met haar moeder Roza. Ook zij viel als een blok voor Grout, meer bepaald voor de ruige Radu die zij in haar handgeschreven poëzie oproept in een zinnelijk register dat sterk aan Estors debuutbundel Vuurdoorn me (2010) doet denken: ‘Hij duwt zijn wapen in mijn buik,/ keert me om, perst/ zijn romeinse kaars in mijn naad’.

Het mag niet verbazen dat Roza’s escapade met Radu in een zwangerschap resulteert. Het verrassende aan het verhaal in Niemandslandnacht is intussen dat ­Pili daar slechts indirect uit voortkomt. De sensoren in Orb die Roza’s zwangerschap detecteren, constateren namelijk dat zij als vruchtbare vrouw een basisregel gebroken heeft: ‘Betrekking enkel met een uitverkoren man’. Dit ontluisterende scenario, dat griezelig dicht in de buurt komt van eugenetica, dwingt Roza uiteindelijk tot een abortus. En daar begint voor Estor de sciencefiction pas echt: niet alleen wordt het ‘medische afvalvlees’ door een Indiaas koppel alsnog tot levende baby opgekweekt (je hebt daarvoor bijvoorbeeld ‘vingerhoeden vol ionen vermengd met vitaminen’ nodig), ook weet een wetenschapper uit de hersenkwabben van die baby een nieuwe mens te creëren: niemand minder dan Pili, ontstaan op een petrischaaltje tussen ‘karkassen van machines’.

Verhalende verzen

Met Niemandslandnacht wijst Estor uitdrukkelijk op de keerzijde van het wetenschappelijke vooruitgangsdenken. Ze stelt er een hang naar het magische tegenover die minstens zo fantastisch is als de technologische scenario’s die ze ons voorschotelt. Er zijn vrouwen die hun maandstonden laten opdrogen om ze vervolgens als sigaren op te roken; er is een sprekende salamander die Pili door een gangenstelsel naar haar moeder (een ‘blauwplekkige kikker’) leidt; er zijn inktvlekken die in duiven veranderen nadat er chaithee overheen is gemorst. In dat soort passages ontmoet de magie de metaforiek, en ontstijgt Niemandslandnacht het verhalende niveau dat voor een poëziebundel soms al te prominent aanwezig is.

Evenals in haar eerdere werk strooit Estor in dit ‘crime poem’ wellustig met exuberante versregels (‘Ik deemster door mijn longfossiel’) en neologismen (‘bruinverlieshavana’s’, ‘hooiwagenmassagraven’). Opvallend is bovendien dat ze het gerobotiseerde en hyperwetenschappelijke Orb ook in haar taal probeert op te roepen. Soms leidt dat tot mooie vondsten (de zon wordt bijvoorbeeld aangeduid als een ‘spuwende ster’ met ‘melanome carnivore straling’), soms ook tot al te platte regels als ‘Hij stripte de kabels, switchte de panels,/ pimpte cores van processoren’. Problematischer is ook Estors overtollige gebruik van het voegwoord ‘en’, dat het gedicht vaak een onnodig opsommend karakter geeft.

Daar staat een zeer sterk ontwikkeld gevoel voor symboliek tegenover, dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de namen waaruit Estor haar fictieve wereld optrekt. Zo zou de naam Pili kunnen verwijzen naar de haarachtige structuren op het oppervlak van micro-organismen, en daarmee naar het petrischaaltje waarop de hoofdpersoon verwekt is. Ook de woorden Orb en Grout zijn metaforisch geladen: een orb is een lichtbol op een foto (waar Estor de stad beschrijft als een ‘lichtende kroon’), terwijl grout een cementmengsel is dat vaak wordt gebruikt in structuren die in het composterende Grout domineren: bouwputten en rioleringen.

Misschien is het vooral dat symbolische scheppingsvermogen dat Grout uiteindelijk van het door en door gereguleerde Orb scheidt. Tussen de kluiten aarde in Grout kwijnt de schoonheid geenszins weg, maar ‘zitten nachtegalen te stralen van geluk’. Aangezien de nachtegaal sinds Keats’ ‘Ode to a nightingale’ een krachtig symbool is voor de poëzie, moeten we de dichtkunst misschien ook in Grout situeren, als een subversieve kracht die het regime van Orb subtiel ondermijnt. Het feit dat Roza haar gedichten met de hand schrijft, is in dat geval een dubbele daad van verzet. Maar minstens zo betekenisvol lijkt mij dat Roza in het tijdschrift Jachtterrein een gedichtencyclus publiceerde die in werkelijkheid verscheen in DW B, onder de naam Annemarie Estor. Roza lijkt een substituut voor de auteur die haar creëerde – en daarmee wentelt Estor zich even onherroepelijk als onverzettelijk in het slijk van haar eigen schepping.

 

31 mei 2018
Een dichtbundel 2.0
Eric van Loo
Op Meander
https://meandermagazine.net/wp/2018/05/een-dichtbundel-2-0/

De wereld nadert haar perfectie. Tenminste, als je op de goede plek woont. En hoe leefbaar is ‘perfectie’ eigenlijk? De nieuwe bundel van Annemarie Estor staat in de traditie van toekomstbeelden als 1984 van George Orwell en De Cirkel van Dave Eggers. Sinds ik in Dichters van het nieuwe millennium haar gedicht ‘Vuurdoorn me’ heb gelezen, beschouw ik Annemarie Estor als een dichter van de buitencategorie. Ook haar nieuwe bundel Niemandslandnacht is moeilijk in één categorie onder te brengen. Het is geen gedichtenbundel in de gebruikelijke zin des woords, eerder een novelle in gedichten. De uitgever zette het in de markt als ‘crime poem’, wat niet alleen vloeken in de kerk van de Nederlandstalige poëzie is, maar ook niet echt klopt. Niemandslandnacht is geen whodunnit, maar een spannende vertelling in 32 gedichten. De vrijheid die de poëzie biedt, benut de dichter met sterk uiteenlopende vormen, beeldend en soms experimenteel taalgebruik en met de kunst van het weglaten. Dit komt de spanning en sfeertekening zeer ten goede. Toch vrees ik, dat dit crime poem de verkoopcijfers van literaire thrillers waarmee de markt overspoeld wordt bij lange na niet zal halen. Zelfs niet door de inzet van een trailer op YouTube. Ik raad u aan deze eerst te bekijken voor u verder leest.

De citaten uit dit filmpje komen uit de gedichten 5 ‘Sensoren’ en 11 ‘Ondertussen in het niemandsland’. De twee minst poëtische bijdragen uit deze bundel, alsof robots aan het woord zijn. En misschien is dat wel zo. Het gebruikte niet-proportionele lettertype doet denken aan een programmeercode. Niemandslandnacht speelt zich af op de grens van Orb en Grout. Orb is de perfecte maatschappij, Grout een soort archaïsche krottenbuurt waar de bewoners in primitieve armoede leven, maar zonder de dwang die de moderne machinerie de mens oplegt. In het derde gedicht worden beide steden c.q. rijken als volgt voorgesteld:

(…)

Bij de ingekuilde prei staat een petroleumlamp te branden.
Hij bewierookt bonenstaken.
Niemand vraagt zich af
wie die lamp daar heeft gezet
en voorgoed is weggeslopen.

Welkom in Grout, vagebond.

Ze ziet gezinnen achter lappen wonen,
hoort oma’s klagen en moeders bidden boven de schillen.
Bestaan is het kabaal dat zich verstaanbaar maakt
tussen gestoorde radiozenders
en het ratelen van aftandse wasmachines.

Kijk, de magere schim in zijn kleed.
Hij klopt met vlakke handen op de muur,
sleept oud papier onder kramen vandaan.
Zijn kornuiten en hij, ze steken het aan
en hurken bij het vuile vuur.
Soms turen ze wantrouwig
in de richting van de muur.

Orb ligt in het landschap
als een lichtende kroon,
een roemrijke koepel,
mythisch rijk.

Men zegt
dat de mensen er glanzen.
Dat de duiven er worden geruimd
en de wind er wordt geweerd.
Dat er garanties bestaan.
Dat het oog er wordt gecontroleerd.
Dat vaartuigen er guirlandes trekken
door de atmosfeer.
Dat nanodeeltjes goud
er als gondels door bloedbanen varen.

(…)

p.12-13

Hoofdpersoon van het verhaal is een zekere Pili, die, begeleid door haar lerares Valeria, na een bewustzijnsverruimende avond op zoek gaat naar haar afkomst. ‘’Valeria, hoezo heb ik een moeder? / Niemand heeft een moeder.’ // ‘Welkom, Pili, in de rokerij van je verleden. / De avond is nog niet voorbij,’ / antwoordt zij.’ (p.23) Pili stapt in de zijspan van Valeria’s motor: ‘Het wegdek rammelt aan mijn botten. / Buiten Orb is de atmosfeer / karboonduister, bruinkoolsmerig. / Ik deemster door mijn longfossiel. / Het duurt angstjaren, grijze haren, / voor mijn ogen iets van vorm ontwaren. // (…) Verpakt in haar motorbril lijkt mijn docente / als een wesp swift en straf / af te koersen op haar doel.’ (p.24) Het taalgebruik is zeer gevarieerd, de teksten bestaan uit beschrijvingen, dialogen, spreektaal, dialect, neologismen. Tot haar grote verrassing blijkt Pili ook nog een broer te hebben, ergens in een krot in Grout: ‘Steem heb mama kapot lief / Roza steem mama niet goed maakt / van lang tot de einde van de nu! / Nee niet kwalik niet kwalik. / En na tien jaar ik jou al socht, / maar ik was klein hè!’ (p.26, 27) Meer nog dan door beschrijvingen wordt deze Vito door zijn taalgebruik neergezet. De hallucinatoire zoektocht gaat verder: ‘Onder een spaghettiviaduct / nabij controleposten, in een pocket smog, / ligt een tentenkamp, bedolven / onder uitlaatgassen, frackingdampen / en een continue regen van consumptieresten.’ (p.30)

Tot zover de verhaallijn. Teveel voorkennis doet afbreuk aan de leeservaring, dus ik houd me in. Wel kan ik verklappen, dat het plot buitengewoon complex en verrassend is, en dat pas na tweede lezing veel zaken op hun plaats vielen. Het openingsgedicht bijvoorbeeld is zonder de kennis van het hele verhaal niet te begrijpen, maar zet wel direct de toon voor een spannende, absurdistische vertelling. De donkere voorkant van de bundel en het filmpje op YouTube geven de sfeer van Grout goed weer. Het leven in Orb daarentegen is schitterend, maar ook zeer kunstmatig en steriel. Het deed mij sterk denken aan de overgereguleerde campus uit De cirkel, of de allesomvattende staat in Brave new world. Komt ook genetische manipulatie aan de orde? Wie is Todopoderoso, en kunnen we zijn naam vertalen als omnipotens, almachtige? Als al het stof van de verwikkelingen neergedaald is, volgt een raadselachtig einde:

Dona nobis

Geef een staaltje engelbrui
Kweek een taaie ruigpootbruid
Scharrelaar met mensenhaar
Schikgodin met mensendril

Dona nobis motorbril

(p.77)

‘Dona nobis’ lijkt een verwijzing naar ‘Dona nobis pacem’, de laatste woorden uit het Agnus Dei, veelal het laatste gedeelte uit de getoonzette katholieke Mis. Met binnenrijm (geef/kweek, staaltje/taaie), alliteratie (scharrelaar/schikgodin) en eindrijm (engelbrui/ruigpootbruid; mensendril/motorbril) is deze 32e en laatste tekst uit Niemandslandnacht qua klankgebruik één van de rijkste uit de hele bundel, passend bij een nadrukkelijk slotakkoord. Het heeft iets van een toverspreuk, mogelijk van Todopoderoso. De laatste drie woorden laten een flauwe indruk achter. Niemandslandnacht had beter verdiend. Het is bij nader inzien niet zozeer een bundel gedichten waar een verhaallijn in zit, maar eerder een novelle in gedichten. De afzonderlijke gedichten staan niet echt op zichzelf, maar vormen met elkaar een spannend, cultuurkritisch, absurdistisch, onheilspellend (onderstrepen wat gewenst wordt) verhaal, dat uitnodigt tot zorgvuldige lezing en herlezing.

 

25 juni 2018
Huiveren om een zinnelijk misdaadgedicht
Door Janita Monna
In Trouw

Nog even en het is zomervakantie. Ik vermoed dat thrillers favoriet zijn onder vakantielezers. Maar wie nu eens geen zin heeft in de zoveelste drankzuchtige Zweedse rechercheur, die zou ook ‘Niemandslandnacht’ in zijn tas kunnen doen, een dichtbundeltje, past zo in de handbagage. Een crime-poem bovendien, en daarvan zijn er maar weinig in de poëzie.

Natuurlijk, er zijn gedichten over misdaden geschreven – tamelijk kort geleden nog een bloemlezing ‘Moordballaden’. Maar ‘Niemandslandnacht’ van de al veel bekroonde dichter Annemarie Estor is een bundel met verhaal, een spannend verhaal op de eerste plaats, gruwelijk, surreëel, met elementen uit sprookjes, uit de wetenschap, uit religieuze verhalen, met verwijzingen naar T.S. Eliot en zelfs met ‘dozen vol Bzzlletins’. Het omslag alleen al is onweerstaanbaar: een nachtelijk verlicht, rommelig oud straatje, en een brommer die wegrijdt. Iemand aan het stuur en iemand achterop. Zijn het Pili, de hoofdpersoon van het verhaal, en haar juf Valeria?

Niemandslandnacht speelt zich af in de plaatsjes Orb en Grout. In Orb, waar Pili opgroeit, is alles geordend, gesystematiseerd en gecontroleerd, is alles ‘zuiver en wel’. In Grout heeft de natuur, het ongeordende, het voor het zeggen: ‘Systeembeheerders telen tijm en steranijs / beleggers kruisen cox’s orange pippins met elstars’.

Niemand mag van Orb naar Grout, of omgekeerd. Maar Grout heeft een wonderlijke aantrekkingskracht op Pili. En langzaam wordt duidelijk waarom. In iets dat het midden houdt tussen een roadmovie en een angstaanjagend toekomstgedicht wordt Pili ingewijd in de geheimen van haar afkomst: ‘Valeria, hoezo heb ik een moeder?/ Niemand heeft een moeder’.

Juf Valeria leidt Pili op de motor langs plekken die haar leven bepaalden. Naar Grout, waar haar uit Orb afkomstige moeder ooit verliefd werd op Radu. Ze schreef gedichten voor hem, raakte zwanger, maar in Orb zijn alleen relaties ‘met een uitverkoren man’ toegestaan, een abortus volgde.

Naar fakir Rafraf en zijn vrouw Douz die de geaborteerde vrucht uit het medisch afval visten en in leven hielden, waarna hij opgroeide tot Pili’s broertje; langs ‘Todopoderoso’ (de almachtige), die uit de ‘hersensluiers’ van de vrucht ook nog een nieuw wezentje creëerde: ‘Hij heeft jou, Pili, / toen jij nog loscellig was, / in een petrischaaltje neergelegd’.

Estor houdt de lezer op het puntje van zijn stoel. Maar niet alleen het verhaal, ook haar zinnelijke taal, vol krachtige beelden en met ruimte voor een grap nu en dan, staat onder spanning: ‘‘In de garage slingert tussen tangen en kabels / een paar geveterde laarzen. Ze omsluiten / de dikgesokte voeten van een oude dame’

Deze crime-poem zou vooral fantastisch zijn, als het geëxperimenteer met menselijk weefsel en als de extreme controlemechanismen, niet zo huiveringwekkend dichtbij zouden komen. Na één lezing is dit gedicht nog lang niet uit.

 

16 juli 2018
Esmé van den Boom
Uit ‘Verdwijnen in woorden, verdwijnen in het paradijs’, verslag van Dichters in de Prinsentuin 2018
https://slaggroningen.nl/verslag-verdwijnen-in-woorden-verdwijnen-in-het-paradijs/

[…] de aandacht van het publiek wordt door Annemarie Estor opnieuw opgepakt en meegevoerd naar vreemde maatschappijen. Ze leest gedichten voor die zich afspelen in de fictionele stad Orb-e-Grout, waar in het centrum Orb de rijken zich in zijden hemdjes voortbewegen en het vogelvrij verklaarde voetvolk in Grout zichzelf maar moet zien te redden. In deze tuin kunnen wij ons lid van beide groepen wanen: we zien het heldere weerkaatste licht waar Estor over dicht in dat kleine stuk hemelgewelf boven onze ommuurde tuin, maar voelen de UV-straling die er in Orb zo zorgvuldig uit is gefilterd. Hier maakt iedereen even deel uit van deze scifi-poëzie, zitten we tussen de bewoners van Grout als Estor dicht ‘Systeembeheerders telen tijm en steranijs […] gevallen yuppen worden imkers.’ In deze sprookjesachtige setting is even niemand wie hij is, en kan toch geen mens het laten haar buren op het theeveld af te speuren op de imkers. In haar poëzie brengt Estor verre werelden zo dichtbij dat ze zich achter de muur van de Prinsentuin zouden kunnen bevinden. […]

 

Feestrede
Door Sven Peeters
Perdu, Amsterdam, 17 mei 2018

Geachte aanwezigen, beste reisgezellen,

Ik heb hier in mijn hand een afgrijselijke bundel vast, het vreselijke en vleselijke relaas van een tocht door Niemandslandnacht. We vertrekken zo dadelijk op reis naar een locus terribilis, bevolkt door wezens gekomen uit uw donkerste nachtmerrie én gesproten uit de onmiskenbare pen van Annemarie Estor.

Ja, laten we ons opmaken voor ‘een strooptocht in de nacht’! Mag ik u voorstellen?

Pili, een in ondertussen vervallen laboratoria opnieuw tot leven gewekt geaborteerd meisje dat met veel vragen zit;

Roza, eeuwig verbannen naar de bodem; 

Juffrouw Soso, poortwachtster en organisator van toverlantaarn-soirées;

Vito, het geadopteerde, straattaal brabbelende en liedjes rijmende groenteboerhulpje;

de Indische fakir Rafraf en Douz, zijn vrouw, die het afval doorzoeken in de storten bij de stadsmuren en zich zo tot foetusredders ontpoppen;

Radu, de mythische, de gefolterde, de sater die in het hart van deze bundel bejubeld wordt met een oergedicht (oer-Estoriaans, oer-instinctief);

De almachtige Todopoderoso, de gen-goochelaar, die knutselt met losse cellen aangebracht in de noodkist van Servaas;

Al deze personen: ze zullen uw gezel zijn vanavond.

U moet zich voor deze kleine trip naar het universum van Estor (en daarvoor heeft u vanavond echt geen lokale geestverruimende middelen nodig, alleen deze bundel) even het volgende voorstellen.

Neem de trein van hieruit naar Antwerpen Centraal. Het bevordert alvast de sfeer dat u daar diep in een tochtige, naar urine riekende tunnel arriveert. Stap uit en rep u noordwaarts naar de ongure, omineuze plek extra muros of het ‘Exmorra’ waar een dok onverschillig ligt te kabbelen naast een gigantisch snelwegviaduct, een parel van brutalistische architectuur. Het is in dit desolate decor dat ik u graag uitnodig om neer te zitten en te luisteren naar dit misdaadpoëem.

Ons bezoek vanavond aan deze plek, in dit barre niemandsland, wordt voor u een keuze tussen de pest en de cholera, tussen stad en gat, tussen Orb en Grout. Voor uw eigen reisgemak vindt u in dit boekje voor- en achteraan twee kaarten om u al lezende, al dwalende te oriënteren.

Kiest u voor de beschermende / beklemmende, hoogtechnologische koepel van glanzend licht waaronder uw gezondheid en hygiëne worden gemonitord, gescreend, gecorrigeerd? Of voor een – ik citeer – ‘atmosfeer karboonduister, bruinkoolsmerig’, met – citaat – ‘skelet na skelet van beton en hopeloosheid (…) failliete nieuwbouw, mislukte projecten en af en toe een hond die met overvolle tieten door de bermen draaft’?

Wilt u ‘volkomen digitaal en in orde’ zijn en ‘weluitgerust, weluitgedost en [voor de dames] cyclusloos’? Of wenst u ‘de verschrompelde contouren van helden, lafaarden, burgers, minnaressen, gedrochten, hondenmeppers, illegalen, artiesten, ambtenaren en een zekere René’?

Verkiest u uw ‘hersenkwabben in afwasmiddel’ om ‘het onbewuste schoon te weken met chloor’? Of liever vellen geronnen bloed, ‘maandstonden in blikken bakken om te drogen’ en er later ‘bruinverlieshavana’s’ van te rollen?

Rookt u? Rookt u nog steeds sigaren? Sowieso bent u ‘welkom (…) in de rokerij van je verleden’.

Hanteert u computerschermen met kille, zielloze lettertypes erop of verlangt u ook naar de met geilvochtige hand geschreven en dus in Orb verboden gedichten van Roza?

Wat zou u graag wensen? Voor altijd de drone boven uw hoofd, sensoren overal rondom óf een levenslange zitplaats op de bodem van de vergeetput?

Tussen Orb en Grout ziet u een meisje heen en weer lopen. Ze draagt een dode duif bij zich, ze is op zoek naar haar afkomst, naar de in Orb verboden kennis die haar naar Grout drijft, waar ze langzaam luisterend, samen met u vers na vers lezend, een afschuwelijke waarheid ontdekt, een vreselijk lot, een ‘misdaadsgedicht’, opgetekend te midden van het puin van de recente geschiedenis, van roest en stof van verleden experimenten, genetisch geknoei en abominabele abortussen.

In de kern van dit boek staan drie handgeschreven gedichten die het begin van deze misdaad bezingen, namelijk de geheime geslachtsdaad die alles in gang zette. Ik lees:

[citaat p.49]

Lees deze gedichten binnen het gedicht, geachte reisgezel, en beschouw het als proviand voor onderweg. Want gul is de maker van deze verzen met haar taalweelde die veel, heel veel leeshonger weet op te wekken. We overdrijven maar deze poëzie maakt ons taalgulzig, zo zult u merken bij de consumptie ervan. De poëzie van Annemarie Estor is immers van die smakelijke én wansmakelijke aard dat ze helemaal opgegeten moet worden door de lezer.

Er zit een drang en een jachtigheid in die u zal weten mee te sleuren. U moet wel verder want we worden achternagezeten in dit verhaal (en paranoia dreigt overigens in alle verzen van deze dichteres). En dan, op het einde van de bundel, blijven we uitgeput achter, op adem komend van deze barre en tegelijk de verbeelding prikkelende tocht van aan de Schelde tot op de boorden van de Ganges – ja, oostwaarts kijkt mening Estoriaans vers. Uitgeput zijn wij maar tegelijk volkomen in trance, een gelukzalige roes opgewekt door al dat virtuoze, meertalige, barokke, onverwachte, dionysische, eigenzinnige, vuile, beeldende, polyfone taalgeweld van de dichteres, geschreven vanuit de onderbuik van een Berckmans en met een heidens beeldenarsenaal als dat van Claus.

[citaat p.42-43]

31 mei 2018
Signalement De Morgen

Juli-augustus 2018
Interview Poëziekrant met Anneleen de Coux 
[Wordt later geplaatst]

Maandag 6 augustus
Een close reading van een hoofdstuk op OoteOote.nl 
Door Jeroen van den Heuvel
http://ooteoote.nl/2018/08/ei106-annemarie-estor-ik-ben/

 

Vrijdag 24 augustus 
Een bijdrage van Obe Alkema (die de stemmen van de personages met elkaar verwart en vervolgens begint te struikelen over zijn eigen vooroordelen) 
In NRC

 

 

 

OVER VUURDOORN ME

Annemarie Estor (1973) is dichter, verhalenschrijver, beeldend kunstenaar. Dit is haar debuutbundel met de prikkelende titel Vuurdoorn me. De erotische of meer in het algemeen zinnelijke en zintuiglijke benadering is het meest opvallende kenmerk van haar poëzie. Het beste is ze wanneer ze niet al te poëtisch wil doen, maar het eenvoudig houdt, zoals in ‘Bijna feest’: ‘We staan bij de gevel / in de opengebroken mist. // Achter je voordeur: / stapels popelende kookboeken. / Je wil iets doen met wild. // Ik wil wel wild.’ Maar vaker is het wat al te mooi gemaakt, bij voorbeeld in: ‘Het is geweest. De tijd rent weg / tussen de bladeren. Met blonde staartjes / en laarsjes vlucht zij voort, de tijd.’ Soms ook is het vaag en onduidelijk: ‘Uit de stappen in het stof ontsnapt de richting. / Het azuur ontstijgt het lamplicht.’ Met een beetje meer zelfkritiek had dit werk een stuk strakker en overtuigender kunnen zijn, met minder poëtische aanstellerij ook zou heel wat gewonnen zijn. Dan liever: ‘Bolderikme. Vijfvingerkruidme, / aspergeme, engelwortelme, adderwortelme! / Gladdewitbolme… oh, zompzeggeme… hondsdrafme. / WildeBertramme! Beukme ja beukme!’
(Ton van Deel, NBD Biblion)

//

Joris Gerits in Poëziekrant:

GeritsEstorVuurdoornme

//

Jury Herman de Coninckprijs 2011:

Annemarie Estors debuut Vuurdoorn me smaakt naar meer. Deze poëzie is zinnelijk en passioneel, verzen om in te bijten. Estor heeft plezier in de taal en deelt dat plezier met de lezer: ze serveert hem/haar ongewone woorden, nieuwe vondsten, vreemde beelden. De dichteres kneedt het Nederlands tot het warm en buigzaam is en onderdak biedt aan klevende vingers, billen en uilendons. Het is goed toeven in de poëzie van Annemarie Estor: je bent er meestal met twee en de koude werkelijkheid is veraf. Een speels en verrassend debuut, dat verwachtingen schept.

OVER DE OKSELS VAN DE BOK

De Vlaamse Annemarie Estor (1973) studeerde Cultuurwetenschappen in Maastricht, waarna ze in Leiden de doctorstitel verwierf met een studie over de Engelse schrijfster Jeanette Winterson, o.a. bekend van de roman Op het lichaam geschreven. Die titel had best het motto kunnen zijn van Estors tweede dichtbundel De oksels van de bok, een stoer en lichamelijk geschreven mythe in dichtvorm. Vol klankdicht en zangstemmen. Sater Izem krijgt met zijn aardse en bovenaardse charmes een jonge vrouw in zijn macht: “Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. Hij was een dier en zoet als dadels. Maar hij trok de takken van mijn longen, beefde mijn tong.” Huiveringwekkend mooi.
(Koen Eyckhout, Dagblad De Limburger)

//

WOON IN MIJ

Uit veel hedendaagse poëzie zijn de mensen door de nooduitgang verdwenen. Laat staan dat in die gedichten vleselijke verstrengelingen beschreven worden. Hoe anders is dat bij Annemarie Estor in haar nieuwe bundel De oksels van de bok.

Hier, in dit lange narratieve gedicht, wordt de liefde alleraardst genoten door de jonge vrouw Meanana en de sater Izem – half mens, half dier, half aards, half hemels.

… wij vraten elkaar totdat wij in een lichaam kwamen. Ingewreven met komijn
vreeën wij vereender met de resten van geslachte dieren.
Wij maakten vuur van oude boeken en we blakerden de huiden,
we beten als leeuwinnen en ademden elkanders spuug
met teer, we zogen zwabberdialecten uit elkanders keel.
En een paar pagina’s later zegt die geile bok Izem:
Maar woon in mij. Tussen mijn organen is een holte.
De muren zijn van vlees, gepekeld en gedroogd.
Leg je hoofd hier neer en slaap.

Er wordt een verhaal, of beter een mythe, verteld in een vaart waar menig prozaïst jaloers op mag zijn. Als lezer snel je van de ene regel naar de volgende pagina. En ik had geen enkele behoefte om thema’s te benoemen, duisterheden te ontraadselen of te letten op de gebezigde literaire technieken. Het is als met echte seks: je laat je meevoeren.

Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat er inhoudelijk niets te genieten valt. Allesbehalve. Dit gedicht barst van de expliciete verwijzingen naar Griekse en Arabische mythen, de Bijbel, de Kabbala en naar ongetwijfeld nog veel meer bronnen van kennis. Literatuurwetenschappers zouden er al een hele kluif aan hebben om alle genoemde plaatsnamen een duiding te geven.

Met dit gedicht bewijst Annemarie Estor dat poëzie simultaan lyrisch en cerebraal kan zijn. Dat is een niet geringe verdienste.

(Harry Vaandrager, Meander)

//

Martin Carrette:

poezietip-estor

//

Piet Gerbrandy, in De Groene Amsterdammer

GerbrandyEstorOkselsvandebok

//

Saskia Kunst, op Ooteoote.nl

Deze week verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van De oksels van de bok, het pas verschenen lange gedicht van Annemarie Estor. De recensent is Piet Gerbrandy.

Gerbrandy begint zijn stuk met een beschrijving van een fijn geordend middenklassenbestaan, waarbij de beschaving het gewonnen heeft van instinct en passie (`we stinken niet’.) Die door hem verzonnen uitgangssituatie plakt hij vervolgens op de vrouw en de Zwijger (volgens Gerbrandy haar partner), twee van de drie figuren uit het epos van Estor. Dat veilig-burgerlijke partnerschap wordt verscheurd door de allesverterende bevlieging van de vrouw voor `de allochtoon’ Izem.

‘Estor schrijft sterk en beeldend, de vuile en pijnlijke drift die de protagoniste geen keus laat wordt effectief neergezet’, schrijft Gerbrandy, en `stap voor stap raakt ze verstrikt in een mateloze, bij vlagen smerige passie, waarin geilheid, weerzin, honger en angst om voorrang strijden.’

Vrouwen en rauwe seksuele lust, het blijft ingewikkelde materie.

Gerbrandy laat de vrouw uitgeblust terugkeren naar haar Zwijger, waarna beiden zich vestigen in het `burgerlijke’ Kalmthout. Voor het gemak gaat hij voorbij aan de zwartgeblakerde heide waarover de gelieven trekken: `wij gingen als ruiters door verbrande tijd’, want het moet wel in zijn plaatje passen.

Gerbrandy vindt het te tam, dat einde, en ook vindt hij dat Estor te veel uitlegt. Desondanks heeft Gerbrandy het niet begrepen, zoals moge blijken uit zijn laatste bezwaar. Dat is `van politieke aard’. Wat natuurlijk de vraag oproept sinds wanneer we poëzie door een politieke bril moeten lezen.

Hij vraagt zich af of `het een goed idee is het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen.’

Suggereert hij hier dat Annemarie Estor een racistisch neokoloniaal gedicht heeft geschreven? Een doodzonde noemt hij het, analoog aan het Oriëntalisme van Edward Said, om het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. En gelijk heeft hij!

Behalve dan dat Annemarie Estor dat in het geheel niet doet. Misschien is Gerbrandy een beetje in de war geraakt door woorden als insjallah, dadel, vijg, komijn en gazellepootjes, en raakte daardoor zijn eigen associatievermogen verstopt met beelden van ruige Arabische of Berberse door de woestijn getaande woestelingen. Om nog maar te zwijgen van de wellust die van de pagina’s spat, want vrouwenseksualiteit in de setting van dwangmatige passie is immer nog een ingewikkeld ding voor veel mannen, dat blijkbaar samengaat met achterlijk, woest en `smerig’.

Maar de protagoniste is alles behalve een koele westerse dame. En hoe oosters is Izem eigenlijk? Door de westerse traditie buitelen ook woudwezens, oermannen, passieopwekkende dreigende vreemdelingen, half mens, half dierlijk. Daarvoor hoeven we niet naar de woestijn van Arabië. Met evenveel gemak kunnen Izem en de vrouw uit de bundel van Estor geplaatst worden in de traditie van faunen, saters, wolfmannen en Bacchanten die de westerse verbeelding heeft opgeleverd. Associeert iemand de onwelriekende Heathcliff met een allochtoon? Wemelt het in ons collectief geheugen niet van de gesoigneerde dames die als een baksteen vallen voor – zeg maar – een ongelikte jachtopziener of een ongeletterde Bretonse visser?

Het is niet `overdreven politiek correct’ Said gelijk te geven, het is in dit verband gewoonweg onzinnig. De Oosterse invloeden, de `woeste Arabieren’ zijn in de volkswijken van Antwerpen (en Amsterdam) net zo gewoon als Henk en Ingrid. Niks exotisch aan, en ook niks specifiek achterlijks – dat begrip zit in Gerbrandy’s wereldbeeld, niet in dat van Estor. Het is deel van de leefwereld en de woordenschat van een nieuwe generatie dichters. En een van de klinkende stemmen van die generatie is die van Annemarie Estor. Niks racistisch aan, meneer Gerbrandy!

Saskia Kunst is schrijfster en antropologe.

//

HDC Media B.V., o.a. uitgever van Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noord-Hollands Dagblad

Het is een dichterlijke krachttoer van Annemarie Estor (1973). De oksels van de bok is één lang, klassiek aandoend gedicht, een moderne mythe. Een vrouw wordt op een braakliggend terrein in een stad verliefd op de sater Izem – half mens, half bok. Ze valt vooral voor zijn wilde haar. Het verhaal is half beeldend, half lyrisch. “Laat ons/ praten van het korstig vuur, dan kan ik as/ in longen dragen, en jou vragen: blijf bij mij./ Want het zal avond zijn.” Estor won twee jaar geleden de Vlaamse debutenprijs. {sic. Bedoeld wordt de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut}

//

 

30/04/2012 – Boek van de week

De uit Nederland naar Antwerpen uitgeweken dichteres Annemarie Estor (1973) kreeg voor haar eerste bundel Vuurdoorn me (Wereldbibliotheek, 2010) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. De jury had het over taalplezier, een warm en buigzaam Nederlands, vreemde beelden, een ongewone woordenschat en fraaie vondsten. Een ‘knallend taalvuurwerk’ en ‘speels en verrassend’, zoals haar debuutbundel werd omschreven, zijn categorieën die ook op De oksels van de bok integraal van toepassing zijn.

Met haar jongste bundel bezorgt de dichteres niettemin een andersoortig vervolg, weliswaar in eenzelfde toonaard. De oksels van de bok is zonder meer een sublieme ontdekkingsreis die appelleert aan de beste narratieve en epische tradities in de poëzie. De treffende en beklijvende vreemdsoortigheid in een daartoe vooropgezette maar niet determinerende context roept reminiscenties op aan bijvoorbeeld het werk van Derek Walcott of, waarom niet, aan de Mei van Herman Gorter.

De bundel doet het mythische relaas van de liefde tussen de sater Izem – het Kabylisch voor leeuw – en de jonge vrouw Meanana. Izem verenigt in zijn figuur een aantal tegenstrijdige eigenschappen: hij is half mens, half dier en half aards, half hemels. Het gedicht, dat de hele bundel in beslag neemt, deint subtiel op de tonen van liefde en gevaar, schoonheid en afkeer, lokken en afstoten. Angst voor het onbekende wordt met een heerlijk en sprekend gemak afgewisseld met thuiskomen in het onbekende andere. Misschien is dat wel de essentie van deze poëzie, maar ik kan me goed voorstellen dat weinig beschouwers de aandrift zullen voelen om dit geheel op een finale manier te willen duiden. Deze poëzie verdient afstand en repetitie. Ook lijkt ze me auditief goed bruikbaar, een gedicht om te beluisteren en weg te zinken, op te schrikken bij bepaalde verzen en weer weg te zakken bij andere.

De dichteres heeft het geheel van haar gedicht onderverdeeld in acht afdelingen. Als men de titels van die cycli overloopt, valt meteen een specifieke teneur op. Zo kan men noties als ‘hooikist’, ‘dode vliegen’, ‘gestorven dieren’, ‘krijsen’ of ‘buigend bot’ bezwaarlijk vrolijk of tintelend noemen. De openingsverzen bevestigen die indruk: ‘Kopschuw stond de blinde muur in deze straat, / de zijkant van een afgebroken krot. Na tijden zag ik pas / de schaduw die hij wierp, de leuzen op zijn brokkelende vel’. De verleden tijd initieert de gedane zaken die geen keer nemen, de muur is blind, het krot gesloopt. Dat alles werpt een schaduw: het nabeeld van het verleden. In ieder geval is hier meteen veel verdwenen en is zelfs het krot afgebroken, ook al had het zichzelf al grotendeels ontmanteld. Iets of iemand werpt (wierp) een schaduw. Als het ‘iets’ is, is het die muur, als het ‘iemand’ is, dan zou het iets kunnen zijn dat werd bezield. Hoe dan ook belanden we meteen bij een aantal potentiële leessleutels voor dit nergens vervelende gedicht: bezieling van dingen, herinnering van een bepaald verleden, de schaduw die tegelijk herinnert en overschaduwt.

Deze taal trilt, en de lezer trilt mee. Want ze impliceert zowel bevreemding als herkenning. Het repetitieve van bepaalde versregels werkt dat nog in de hand: ‘Meanana, moest gij niet mee?’, bijvoorbeeld, een soort incantatie die herinneringen oproept aan de kindertijd, aan de schooltijd misschien ook. Het brengt de anders vreemde dingen nu bijna lichamelijk dichtbij. Ook al omdat Meanana rechtstreeks en zeer direct wordt aangesproken. Precies door dit soort technieken wordt het Andere geïntensiveerd, belichaamd en voelbaar gemaakt. Een en ander wordt ingekapseld in een heerlijk en ravissant taalgebruik waarin de verzen flirten met muziek en schilderkunst. Voorbeelden te over: ‘Meestal / wuifden kruinen. De takken zwaaiden met blauwe sterren, / lieten zich purperen vruchten ontvallen. Ze schilderden / met tamarinde een dromer dochterleven. Niets / riep mij naar huis’. Erg expressief is dit, met beeldmateriaal dat van de Duits-Joodse dichteres Else Lasker-Schüler had kunnen zijn, en dat is wat mij betreft een groot compliment.

Annemarie Estor schrijft speels en gedurfd, tovert met betekenissen en connotaties, zet meesterlijke tempowisselingen in, verandert van perspectief, mengt een mythische laag met een moderne, een tijdelijke met een tijdloze. Dat laatste filtert ze tot strofen als: ‘Hij vertelde van de tijd dat hij nog sterven kon. / Hij zei dat mensen jute zakken waren vol met pudding / en je mocht ze slaan totdat ze bijna uit elkander vielen. / Maar toen stortte hij zijn binnenzeeën uit, / en ik werd week en praatte aaiend op zijn schoft: / ‘Vergeet, ik zal je horens wrijven en de wratten / van je vingers bijten’. Zo zegt Meanana. Izem neemt haar minzaam in zich op: ‘Fier droeg hij mantels / van schapen, met beheerste hand geslacht. / Hij schermde me af van vlerken op brommers / hij voerde me heldenhistories en wees op de bergen. / Van de tuin van de waanzin was hij / het geweldigste groen’. Er dient zich, ergens in het gedicht, een moment aan van verraad, van onzekerheid en droefenis, om uiteindelijk gelouterd in elkaar te vervloeien. Dat resulteert in een onvergetelijke slotcyclus, ‘Kleed mij aan’, met de opnieuw sublieme openingsverzen: ‘Ik ben kaalgeschaafd teruggekeerd. / Heb melkwit door de stad gelopen. / Mijn paarse lippen wilden met een beetje toon / een venster breken om bij vuur te komen. / Al was het maar een kaars. Een tafellaken. / De leden van mijn ogen maakten mineralen, / beten afgevreten palen. Wie zag mij / in de winterstad?’.

Deze bundel heeft een uiterst behoedzame lectuur nodig. Een bedwelmende beeldspraak, een bezwerende ritmiek, een unieke klankrijkdom en muzikaliteit: alles, elk woord, elk vers maakt van De oksels van de bok een schitterende bundel, geschreven door een jonge dichteres die er nu al staat, helemaal, ten voeten uit.

(Stefan Van den Bossche, in De Leeswolf)

Hedwig Speliers, in Poëziekrant

[PDF VOLGT]

 

Annemarie Estor (1973) kreeg de Herman de Coninckprijs 2011 voor haar debuut ‘Vuurdoorn me’, een zinnelijke titel die feilloos aansluit bij haar nieuwe bundel, waarin de gretige verlangens van de vrouw in een mythogiserend verhaalgedicht de boventoon voeren. ‘Hij hield me vast / met zijn klimmende spieren. Aderen zwollen. / Ik telde mijn adem. / Hij lag op mijn keel, / hij deukte mijn appel, / hij blutste mijn teugen / tot stokkende happen.’ Dit is poëzie in de traditie van Hugo Claus, maar dan vanuit vrouwelijk perspectief. Het handelt dan over open stellen en binnen willen laten, uit laten stromen en ontvangen, en dat allemaal in een pralende taal, bont en klankrijk, ‘Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. / Hij was een dier en zoet als dadels. / Maar hij trok de takken van mijn longen, / beefde mijn tong.’ Misschien is alles wat over de top geformuleerd, maar Estor weet op die hoge en geëxalteerde toon toch zoveel brille te bereiken dat ze overtuigt en meevoert, wat voor een min of meer verhalend, lang en in episoden verdeeld gedicht toch een prestatie van jewelste is.

(Ton van Deel, voor NBD/Biblion)

//

 

Met haar debuut, Vuurdoorn me, won Annemarie Estor de Herman De Coninckprijs. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, draagt de ondertitel ‘Een gedicht’. Het is een lang verhalend gedicht in acht hoofdstukken over een jonge vrouw die ten prooi valt aan de passie voor een mythisch wezen. Izem is half mens, half bok en heeft een grote fysieke aantrekkingskracht op haar en tegelijk stoot hij haar af. Het wezen is ‘fascinosum et tremendum’ en die spanning roept Estor heel goed op. Hij betovert en verleidt haar en neemt haar mee naar zijn land Ganumee. Dat lijkt een idyllische plek: het landschap is sprookjesachtig, overvloedig gebruik van assonantie onderstreept de beroezing: ‘Achter / zijn waanzinnige gordijnen likten, vraten wij elkaar / totdat wij in één lichaam kwamen.’ Lichamelijkheid staat centraal in deze relatie, in deze bundel wordt dan ook heftig gevreeën. Estor slaagt er evenwel in om de passie in allerlei fijnzinnige beelden op te roepen. Maar uiteraard loopt het fout – Izem sterft. Aan het einde wordt de bundel echt indringend met een opeenstapeling van beelden die zeer intens de pijn van de scheiding voelbaar maken. De oksels van de bok is een bijzonder sterke tweede bundel: origineel van vorm, rijk aan beelden, klankmatig geraffineerd.

(Carl Destrycker, Kunsttijdschrift Vlaanderen

Jury Herman de Coninckprijs 2013:

De winnaar van de Herman De Coninckprijs 2013 laat zien wat zinnelijke taal vermag. Zij weet als geen ander een liefdesrelatie tussen vreemden intens voelbaar te maken voor de lezer. Een dergelijke beschrijving van een haast demonische liefdesrelatie is zelden gezien in de Nederlandse poëzie. Daarbij beschikt de winnaar over een indrukwekkend instrumentarium op het gebied van beeldentaal.

Tegelijkertijd staat ze, jawel, deze dichter is een dichteres, in vergelijking met de oogst poëzie van dit jaar, bijna alleen in het volledig gebruik maken van de narratieve kracht van de poëzie. Ze schenkt de lezer geen afzonderlijke gedichten maar een stevig opgebouwd drama. En toch dwingen de verzen niet naar het geheel. Ze staan krachtig op zichzelf maar vormen ook een organisch onderdeel van de grotere poëtische vertelling.

Haar werk steunt op verschillende herkenbare tradities, maar toch vervalt het niet in epigonisme. Doorheen de bezwerende vertelling proef je een stuwende authenticiteit. Deze dichteres maakt gebruik van oriëntaalse liefdeslyriek, bijbelse taal en mystieke visioenen.

In de visuele afwerking van de bundel schuilt een dubbeltalent. De suggestieve omslagtekening is ook van haar hand, en laat evenveel interpretaties open als haar verzen. Bovenal schept deze dichteres een mythisch epos, weliswaar geworteld in Kalmthoutse poëtische grond.

Het is daarom niet meer dan vanzelfsprekend dat haar talent twee jaar geleden al werd ontdekt en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs. Met haar tweede bundel bestendigt, bevestigt en bekroont ze wat ze toen begon.

Deze poëzie moet u koesteren, zinnestrelen en proeven. Deze dichteres is een prijswinnaar.

Dames en heren, de Herman De Coninckprijs 2013 gaat naar Annemarie Estor voor haar dichtbundel De oksels van de bok.

Clipboard02

JURYRAPPORT TURING NATIONALE GEDICHTENWEDSTRIJD 2013

Gedicht 2690 – Vagebond

Sommige gedichten dienen zich pas laat aan. Je denkt bijna klaar te zijn, tot je ineens een zwetend vers aan je benen voelt schurken en je voeten met natte snuit voelt aftasten. De jury raakte plots gegrepen door dit gedicht, en wist aanvankelijk niet waarom. Was het dat lijfelijke, dat onfrisse, meurende, dat gesnuif aan ons lichaam? Het is een goor gedicht, dat inbreuk pleegt, afstoot in zijn lijfelijkheid, opdringerig is. Het ís daar gewoon en gaat niet weg. En dat is exact wat het moest doen, getuige titel en onderwerp. We kunnen er lang en breed over spreken, maar dit gedicht leidt ons weg van de propere paden, het kwam als een vagebond aan ons been hangen en liet ons niet los. Het dampt, het is vlezig – en daarmee een verademing tussen alle op herinneringen en gedachten gebouwde gedichten.

VAGEBOND

Oren geslepen aan de nevel, hijgend na de regenbui,
de poten trappen in het glas langs de weg.

Wie sloeg de ruiten in waar het dier doorheen
naar binnen kan, het gras nog tussen de tenen,

het kwijl nog aan de bek, de damp in zijn vacht,
en wie ligt hier te roesten,

wat heeft de man verloren,
zal hij in zijn verbogen kooi het beestig snuiven

aan horen komen, zal hij wakker worden,
geschrokken van het rot in de snuit?

Zoekt dit zoogdier iets anders dan vlees?
Een verbond met een lijf, warm en meurend als hij?

Annemarie Estor

OVER DIT IS GEEN THEATER MEER

‘Een hoogst actueel document. De Vlaamse opent met een aangrijpend vers over wat uraniumstraling met je doet en verderop gaat het over de crisis in het kapitalisme of over integratieproblemen, maar wat gebleven is, dat is haar ongewoon krachtige taal. Vurig, bevlogen, aangedaan door wat ze leest, ziet en hoort, giet ze haar gedachten en gevoelens daarover in taal die staat als een huis. Bijna priesterlijk soms, in dienst van een verre religie in een historiserend heden, gekleurd door besef van neergang en ondergang. Bezwerend, hypnotiserend. Ongekend in onze dichtkunst. Dieren, mythologische figuren, het fysieke, dat zijn wat piketpaaltjes in haar gedichten. Er wordt gewroet en gemierd tot er taal ontstaat waaraan je niet ontkomt. Poëzie die urgent is’.
(Koen Eykhout, Dagblad De Limburger)

//

Wie de gedichten van Annemarie Estor leest, komt oog in oog te staan met een hectische, volkomen uit het lood geslagen wereld, met alles wat je aan narigheid en vervreemding in de kranten leest. De titel zegt het met zoveel woorden: deze wereld is geen schouwtoneel meer, maar een heuse apocalyps. Al moet worden toegegeven dat die zich in een dichtbundel toch altijd ook en vooral afspeelt op het niveau van de taal. ‘Het eind komt eraan’, zo begint het laatste gedicht van deze visionaire bundel, ‘briesend in de regen, / met geweldige vrienden en grijnzende vuurhaken, / met geklop op holle grond, met het spog van eeuwen! / Met kolossale kerels /die de spatten hoog in de liezen hebben, / met verkleumde vingerkooien, kyrie eleison! / […] Maar voor het eind zijn tol eist: / Zet stro in de hens! / Gooi alles over balken!’ Dit is poëzie die er geen doekjes om windt. Het nachtmerriepaard, ‘Doorboor haar! / Vind het vuur in haar schoot. // Boor door haar! Vind taal in haar buik. / Taal van ijzer, nest van bloed, / radioactieve medeklinkers / en een stralend lam.’ Eind goed, al goed?
(T. van Deel, NBD Biblion)

//

SCHEUR HAAR OPEN

Is het een kwestie van temperament? Sommige kunstenaars kiezen voor soberheid, stilering en minimalisme, ze benen hun materiaal zo grondig uit dat er uiteindelijk slechts een kale essentie overblijft.

Men denke aan de sculpturen van Giacometti, aan de zwarte vlakken van Richard Serra, de strijkkwartetten van Morton Feldman of de magere gedichten van Roland Jooris. Anderen laten juist de vette, smerige, geile rijkdom van de werkelijkheid zien door haar op te tuigen met een overdaad aan kleurrijke details. De naakten van Rubens behoren tot deze categorie, net als de symfonieën van Sjostakovitsj, de films van Tarantino en de romans van Jan Wolkers. Bourgondiërs staan tegenover calvinisten, Jheronimus Bosch staat tegenover Saenredam, Italiaanse opera tegenover de haiku.

Indien deze ordening hout snijdt, behoort Annemarie Estor (1973), afkomstig uit Limburg en woonachtig te Antwerpen, duidelijk tot de categorie van het volle leven. Was haar vorige bundel, De oksels van de bok, een dampende ode aan dierlijke lust, in Dit is geen theater meer gaat de wereld naar de knoppen in een bijna vrolijke uitspatting van radioactieve straling, sadomasochistische spelletjes, opspattend bloed en kleverige smeerolie. Fijnzinnigheid lijkt Estor vreemd te zijn, haar methode is die van het grote gebaar. Deze poëzie pulseert van fysieke bloei en verval, de enige manier waarop je haar kunt lezen is zwelgend en schrokkend.

Dat betekent geenszins dat Estor maar wat doet, integendeel, de bundel is uitermate zorgvuldige geconstrueerd als een cyclus van ontvoering tot verkrachting, waarbij de thematiek van schuld en boete centraal staat. Het boek presenteert de wereld in een eindtijd, in een fase van vernietiging die we aan onszelf te danken hebben:

De hengst brengt ons naar verlaten tanks in bloei.

Verroeste handgranaten dragen vruchten

die we naar binnen laten glijden

Op de laatste asfaltplaat braken we ze uit.

Estor schrijft mythische, apocalyptische poëzie waarin naar liefde gehunkerd wordt, maar ook God wordt aangesproken, al valt het onderscheid tussen minnaar en opperwezen niet gemakkelijk aan te geven. ‘Gij hebt mij verwond verlaten’, spreekt een radeloze vrouw, ‘ik stond enkel in mijn lendendoek’. Sindsdien wendt de ander zich af:

Niet in de lucht zijt gij, niet in de steen,

niet in het hout waartegen mijn hoofd bonkt.

De ik is bereid zich tot het uiterste te onderwerpen en offers te brengen die haar binnenstebuiten keren. ‘Heden bracht ik u het laatste offer:/ hier zijn mijn beide longen.’

Lijkt het in dit gedicht om een religieus tafereel te gaan, elders is de protagoniste op zoek naar een man van vlees en bloed. Maar ook dan gaat het er niet zachtzinnig aan toe. Een panter die zich over haar schrijftafel heeft gedrapeerd, somt op welke mannen zij zal leren kennen. De eerste zal haar controleren, de tweede is een ‘blinde kastbewoner’, de derde zal door louter lucht te verplaatsen ‘de baas van alle vrouwen zijn’, de vierde is een ruige strijder uit de wildernis. Maar het is de vijfde voor wie ze zal kiezen:

De vijfde zal u straffen,

niet te eten geven, u gevangen zetten in een kamer

waar u tot uw middel in het water recht moet staan.

Vanwaar die obsessie met straf en onderwerping? In de eerste plaats is het een vorm van totale overgave, van een transgressie die uitzicht biedt op een bestaan zonder post-industriële vervreemding, waar de mens weer volledig opgenomen is in de natuur. In de tweede plaats lijkt de dichter te suggereren dat we moeten boeten voor wat we kapotgemaakt hebben. Maar minstens zo belangrijk is de gedachte dat we dansen op een vulkaan, dat we ons nog eenmaal kunnen uitleven in een orgie van seks en geweld, voordat alles naar de bliksem gaat. Zo wordt de hengst die we in het eerste gedicht al tegenkwamen op de laatste pagina’s aangevuurd zijn merrie te berijden met ‘één lichaam van vijftig stormleeuwen’:

De dichter lijkt te suggereren dat we moeten boeten voor wat we kapotgemaakt hebben

Neem haar hard!

Laat haar voelen wie de baas is.

Druk je hand als een klem om haar hals.

Sterker nog: ‘Scheur haar open, nu het nog kan!’ In haar schoot bevindt zich namelijk het vuur, dat in de laatste strofe zelfs de gedaante van het Lam Gods aanneemt: ‘Taal van ijzer, nest van bloed,/ radioactieve medeklinkers/ en een stralend lam.’

Estor is boos en beschaamd. We dachten altijd dat we de baas waren, zegt ze, we lachten de dommen uit en speldden ze van alles op de mouw, ‘en als we feestten, ruimden we niet op’. Het land is ontploft, fabrieken hebben ‘op de sneeuw gehoest’, uit de heuvels ‘trekt een vieze zweem’, we varen op een ‘pikzwart meer’. Maar midden in dat meer verrijst een eiland waarop al diegenen wonen die wij hebben geminacht, uitgelachen en aan hun lot overgelaten. Vreemd genoeg zingen zij een lied, een vreselijk lied: ‘Een lied van warmte: de warmte van omhelzingen.’

Dit is geen poëzie om opgewekt van te worden, al brengt het weerzinwekkend onheil veelkleurige schoonheid met zich mee. Ik schrans, walg, geniet omdat het voor het laatst kan zijn, en onderga gedwee en schuldbewust mijn kater.

 

Uit: Dit is geen theater meer:

 

Soms, als we dronken zijn van taal en knaagdieren,

springen we uit de achterkant van boekenkasten

de modder in. Gisteren ook.

Maar ik viel en mijn mond nam een gulp.

Ik proefde bloed,

en toen zag ik zijn benen, zijn hoeven,

zijn manen kleurloos in het slijk, en zijn verschrikte ogen –

Het was of ik die ruin gekend had.

Had ik beter voor hem moeten zorgen –

(Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer, 9 september 2015)

http://www.groene.nl/artikel/scheur-haar-open

//

In haar nieuwe bundel Dit is geen theater meer voert Annemarie Estor haar lezer binnen in nachtmerrieachtige scènes, vol dreigende dieren, onheilspellende situaties en beangstigende beelden. Dat levert een beklemmende bundel op, waarin de vraag opgeroepen wordt hoe lang je jezelf kan voorhouden dat iets maar fantasie, droom, spel is. Hoe gek moet het worden voor je, zoals de lyrische ik, plots denkt: ‘dit is geen theater meer’. In de cyclus ‘Rechters’ komt de ik-figuur in een kafkaëske wereld terecht die verdomd goed lijkt op onze dagelijkse bureaucratische werkelijkheid. ‘Het dunste vlies’ beschrijft dan weer de verwoestende kracht van het liefdesspel (een thema dat we kennen van Estors vorige bundel De oksels van de bok). Surrealistisch wordt het in de slotreeks ‘Morgen diesel’: de ik neemt ons in ‘Goudreinet’ mee naar de binnenkant van een appel, we beklimmen een vulkaan of bevinden ons op ‘Old Patto Bridge’, waar we niet meteen een lieflijk uitzicht krijgen voorgeschoteld. Veel sterfelijkheid ook in deze bundel, zoals in de magistrale reeks ‘Trompettes de la mort’, waarin het doodsbesef – heel pregnant verwoord – steeds groter wordt, en in het sublieme slotgedicht ‘Berijd het eind’, waarin alle thema’s uit de bundel samenkomen: de angst, de dunne grens tussen werkelijkheid en droom, de dood: ‘En we spreken van zonsopgang en zonsondergang. / We geloven in ons bedrog. Want de zon zuigt zich niet / bij de einder uit de zomp. Dooft niet in de rode sloten. / Het is de taal maar.’ Of hoe we met taal onszelf voorliegen, een verhaal maken van wat we zien om de ultieme waarheid – onze eindigheid – op afstand te houden. Dit is geen theater meer is een van die zeldzame dichtbundels die van het begin tot het einde sterk zijn, die je met verstomming slaan en je doen beseffen: dit is geen taalspel meer, dit is poëzie!

(Carl De Strycker in Kunsttijdschrift Vlaanderen)

//

Luuk Gruwez in De Standaard:
Recensie De Standaard